Un Beso Al Cielo - Anet van de Elzen

Een kus in de lucht

De Inuït en de Indianen maken een nieuw lied als er geen woorden zijn om een gevoel te beschrijven. Zij zingen met de ogen dicht omdat er dan alleen contact is met het binnenste, de ziel en alleen dan kun je zingen.
Als ik zo zing, verlies ik de tijd en maak als vanzelf composities die ik niet dacht te kennen. Ik communiceer met de mensen die luisteren, niet letterlijk maar er is een vorm van contact, onzichtbaar sensitief contact. Ook als er niemand zou zijn en ik doe deze performance geconcentreerd, met de ogen dicht op een afgesproken plaats en tijd, dan ben ik overtuigd van het belang ervan. Met iedere toon verandert de lucht, een deel is vanaf dan mysterie, niet alledaags, een vonk.

Ik los op in het enige grijs van de architectuur van het plein en doe een performance in de verder kleurrijke en lawaaierige omgeving van een theaterfestival. Gekleed in het grijs met een grijze keramische trompet als een kind in mijn armen geklemd, schuifel ik over het terrein. Ik heb een masker op om oogcontact met de mensen te vermijden. Wanneer ik een plek vind om te gaan zitten, doe ik het masker af en met de ogen dicht zing ik. Gedurende lange tijd zing en blaas ik in het instrument om tussen de golven van het rumoer naar een eigen dimensie te zoeken. Zachtjes vermengen de tonen zich met het geluid van de stad, mijn ogen blijven gesloten om mijn concentratie vast te houden tijdens het zingen. Ik voel contact met iets onzichtbaars, het onderbewustzijn, het vorige leven, God, de oneindigheid, ik kan er eindeloos veel namen aan geven. Wat het niet is, is alledaags.

Altijd heb ik gedacht, vanaf de eerste keer dat ik zo'n ervaring had, dat het niet zo veel met mij te maken had. Alsof er een onzichtbare transparante wolk in de lucht hangt, die voor iedereen dáár is, en waar ieder die wil naar kan reiken. Ik kan me precies die eerste gewaarwording herinneren, de exacte tijd en de plaats. Ik was aan het werk in een kleine kamer. Alleen en geconcentreerd maakte ik een boom uit schoongekookte koeienbotten en gebleekte takken. Als een langgerekte ruggengraat hingen de botten met ijzerdraad aan elkaar geregen vanaf het plafond, ze droegen de gebleekte takken in de holtes van hun vormen. De ervaring tijdens het moment van beschouwing betekende iets heel belangrijks, dat was onmiddellijk duidelijk. Het was alsof mij een blik gegund werd in een andere wereld, waarbij ik me realiseerde deel uit te maken van iets dat groter is dan ik zelf ben. Dit was een markering op mijn pad los van het zichtbaar aanwezige. Een moment dat nieuwsgierig maakt naar meer, dat reist in het abstracte en dat mij ervan heeft overtuigd verder te gaan met beelden maken.

Ik had nooit besloten kunstenaar te zijn, het gebeurde. Als een sneeuwbal rolde, tuimelde mijn leven en elke keer als ik dacht dat dit zou stoppen of dat ik niet langer kon en buiten adem was, gebeurde er iets waardoor de sneeuwbal verder rolde. Zo vond ik de tijd en het vertrouwen om mijn talenten uit te spreiden; verschillende manieren om mijn gevoelens te uiten en ideeën om te zetten in vorm. Ik denk dat een talent gevonden moet worden, gevoed, getraind en onderzocht, opdat het kan groeien en zich kan definiëren, zoals een atleet zijn of haar lichaam en spieren traint. Deze speciale momenten van contact met het onderbewustzijn kunnen zich dan vaker voordoen.

Vormloze modder nodigde uit om te maken wat ik wilde. Definieer, vorm, geef vorm aan innerlijke beelden! Ik zocht in en vocht met de schetsmatige materie om de momenten te vinden van herkenning, van ontroering, van bewogenheid, van smart en van blijdschap. De directheid en schetsmatigheid van het materiaal en ook het formaat, groter of even groot als ik, daagden uit tot nauwkeurige bepaling van de vorm en het zoeken én vinden van tijdloze momenten en het daar op ingaan. Ik ontdekte de openingen van intens geluk bij het vinden van nieuwe poëtische werelden in de stomme dode materie.

In vieze kleren, door klei besmeurd, bijna zelf een beeld, loop ik door de opgedofte stad, over de oude brug, de bontmantels en parfumgeuren in me opnemend. Ik boetseer een naakte man, in klei, bruine klei, twee meter hoog.
Alleen in het begin werk ik met een mooi naaktmodel, een blonde en gespierde man. Dit om meer vat te kunnen krijgen op de anatomie en die als ondersteuning te kunnen gebruiken om de uitdrukking van het beeld te versterken. Als het beeld anatomisch mankeert, stoort het de expressie die ik eraan wil geven. Ik werk in alle beslotenheid daaraan verder, geconcentreerd en reeds in vervoering. Op zeker moment komt een andere kunstenaar mijn atelier binnen en in één oogopslag kwalificeert hij mijn beeld als Übermensch. Deze opmerking niet gelijk vattend, ga ik zitten en stop met werken. Het beeld verandert door dit voorval, dit is niet wat ik wil maken. De vervoering die me had weggevoerd van het verstand, ingegeven door wat ik kende en voelde, was onwetend. Ik besefte dat ik dat eigenlijk niet kan zijn. Waar liggen de grenzen voor wat ik kan maken en in de wereld zetten? Is het mogelijk beeldend werk te maken zonder iets aan te raken en altijd alleen in een vrij gebied te blijven?

Het beeld is nu een primitief ogende man, heel grof geboetseerd, met lange armen, grote handen en grote voeten. Hij kijkt omhoog wat hem wegvoert van deze wereld. De totale uitdrukking van het beeld is omgekeerd en ondanks zijn formaat is hij nu een kwetsbare figuur.

Het laatste beeld dat ik in deze periode maak heet gevoel voor ontzag. In de stad zie ik steeds rechthoekige sokkels met stijf geboetseerde portretten erop. Het blijft mij fascineren dat die twee dingen zo gescheiden zijn. Ik wil een sokkel en een portret aan elkaar vast boetseren en in één beweging neer zetten, niet stijf maar weelderig en levend. Een enorme bonk klei stapel ik op in mijn atelier onderwijl de zuidelijke stad beschouwend zoals ik die beleefd heb. Associaties met het Bourgondische levensgevoel en de God Bacchus dansen in mijn hoofd; op een zaterdag kan ik er niet naar het atelier gaan zonder onderweg een blaaskapel of muziekmakende harmonie tegen te komen. ‘s Avonds laat in een bar zie ik schilderijen van James Ensor tot leven komen; witte geplamuurde gezichten met knalrode gestifte lippen en paars dooraderde wangen, als carnavaleske taferelen. De stad is een grote gezellige woonkamer, geen oord om te werken.'s Ochtends sta ik er meestal op met een vakantiegevoel omdat ik in een prachtige omgeving woon en de zon veel meer lijkt te schijnen dan daar waar ik vandaan kom. Het maken van het grote beeld wordt het vieren van een feestelijk afscheid van een bijzondere tijd. Het zoeken van haar expressie als een spel dat het positieve levensgevoel in zich draagt: de zon, de god van de druiven die daar op proost en in aangeschoten toestand de serieuze kunstwereld persifleert.

Ik moest meer weten, meer ontdekken. Ik ging op reis, trok de wereld in.
Ik pakte mijn koffer en reisde naar Amerika. Een galerie had me uitgenodigd om een serie gastlessen te geven over een uitwisselingsproject en over mijn eigen werk. Op de tweede dag ontmoette ik een beeldhouwer, een jonge man niet veel ouder dan ik. Hij zei me dat hij een werk verkocht had aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. Eigenlijk geloofde ik hem niet. Hij nam me mee naar zijn atelier in een groot pakhuis en we praatten de hele nacht. Hij nodigde me uit drie maanden voor hem te werken aan een tentoonstelling. Ik zou wonen in zijn drie verdiepingen tellende loft en een aantal uren per dag voor hem werken, dat was de deal. Na deze periode zou ik nog vaker teruggaan naar de Verenigde Staten. Zeker in het begin vond ik er de vrijheid en ruimte om mijn eigen visie meer contour te geven. Door de grote afstand van alles wat ik kende, kon ik mijn werk en leven in een ander daglicht stellen.

Terug naar Nederland.
Regen, regen en nog eens regen. Mijn spullen staan in een onbewoonbaar verklaarde woning, op een mooie plek tussen de grens van Nederland en die van België. Ik ga daarbij wonen en kan er in een gedeelte ook werken. Het is er koud en vochtig. Eenzaamheid, geen werk, geen geld. Net terug van ver weg en van een inspirerende tijd ervaar ik mijn leven als grote trage houten wielen van een kar die door een zwaar modderspoor trekken, alles is grijs.

Na enige tijd verhuis ik en woon en werk in een kraakpand, een oude fabriek, samen met negen andere kunstenaars. Er is een afspraak tussen ons dat ieder die in het gebouw woont er één tentoonstelling per jaar organiseert zodat er een levendig klimaat voor kunstenaars kan ontstaan. Ik organiseer een performancefestival en in samenwerking met een Engelse kunstenaar nodigen we nog twee mannelijke en drie vrouwelijke kunstenaars uit Engeland uit. We noemen het festival ‘Great Britain Performances'. De kunstenaar schrijft een lang gedicht en nodigt mij uit aan zijn performance mee te werken. Hij vraagt me zijn gedicht op muziek te zetten en het dan te zingen tijdens zijn performance. Gedurende het festival, staand op een kleine sokkel die hoog aan de muur bevestigd is, zing ik op twee achtereenvolgende dagen gedurende vier uur zijn gedicht. De ruimte, aanvankelijk wit met een prachtige akoestiek, verandert langzaam door zijn tekeningen op de muren.
Dit was mijn eerste kennismaking met performance en ik werd er gelijk door gegrepen.

Ik houd van de beweging in performance, van de tijdelijkheid en directheid, de kracht, van het niet vast willen leggen, het geen materiële vorm willen geven aan het beeld. Ik houd van haar vluchtigheid, van de mogelijkheid tot experiment en heftige discussie, van het onbegrip in eerste instantie van nieuwe toeschouwers en van het langzaam doordringen op een later moment. Ik houd van het contact dat zo sensibel is dat er geen woorden voor zijn.

Mijn tweede performance is bijna een jaar later. Ik heb dan steeds foto's gemaakt van mijzelf. Er is één serie die me aanzet tot het denken over een nieuwe performance. Naakt en geheel zwart beschilderd met body paint word ik een schaduw, een vorm. Ik maak een voorstelling in een grote witte ruimte, tegelijkertijd en in samenwerking met een Zwitserse kunstenaar die een werk van vijfhonderd tekeningen in een bepaald patroon op de vloer legt. Uiteindelijk loop ik achterin de ruimte rondjes waarbij een cirkel zich langzaam zwarter en zwarter aftekent op de vloer. Onderwijl zing ik filosofische teksten in het Duits die de kunstenaar gekozen en aan mij gegeven heeft..

Tijdens de openingsuren van de galerie in New York waar ik een tentoonstelling gemaakt heb in samenwerking met vier andere kunstenaars, loop ik de twee en zeventig treden er naar toe op en neer. Onderwijl houd ik een brandend beeld van paraffine in mijn handen; de druppels vallen op mijn zwarte jurk. Deze performance is als een eindeloze gang in de donkere diepte, de tijd kruipt voorbij tot het zes uur is en de galerie sluit.

De performances nemen mij overal mee naar toe, ik reis naar Noorwegen en Frankrijk, naar Zuid Afrika en naar Japan, onderwijl steeds nieuwe werken makend. Elke performance wordt anders omdat elke nieuwe situatie uitdaagt tot een experiment of tot het tot leven wekken van tot dan toe stille en verborgen beelden.

Door het maken van performances heb ik geleerd dat stilte indrukwekkender kan zijn dan lawaai, dat stilte mensen stil maakt. In Japan na een performance die zeven uur duurde in een door mijzelf ingerichte ruimte, zou ik het laatste stuk van mijn performance in de openingsruimte uitvoeren. Geroezemoes in een grote zaal, ik ging op een verhoging zitten, vooraan in het midden en zong zachtjes in een lange dikke bamboestok, langzaam hoorde ik het heel stil worden. Geheel onder de indruk daarvan ging ik zachter en zachter zingen om uiteindelijk fluisterend de stilte vast te houden, zolang ik kon, de tijd vertragend.

Daarnaast heb ik geleerd dat concentratie belangrijk is bij het maken van een performance. Voor de performance die ik in Japan maakte heb ik de dagen ervoor gevast. Het op die manier focussen op het werk gaf me kracht en concentratie. Ik zag performances van kunstenaars die amper iets deden maar door hun concentratie een publiek ademloos lieten toekijken: een mysterieus en fascinerend fenomeen in de communicatie tijdens een performance.

Het tegenovergestelde van de omvangrijke stilte zag ik in een performance van een Amerikaanse kunstenaar die als zo luid en forte begon dat ik niet dacht dat er nog meer geluid kon zijn. Een improvisatie op synthesizers die nog meer, nog meer en nog meer crescendo kreeg, geniaal, een prachtig moment van schoonheid. Zo veel geluid dat het er voor de kunstenaar waarschijnlijk niet om ging de ander te bereiken maar om op eenzelfde manier vorm te geven aan het binnenste, de verbeelding, vanuit een intense concentratie.

Later speel ik opnieuw met de stilte. Ik geef les in Duitsland en heb in samenwerking met een Kunstverein een performancefestival georganiseerd. Daarvoor nodig ik de performancegroep The Wolves uit, waar ik lid van ben. Het overheersende gevoel in Duitsland is dat ik nergens bij hoor, mijn positie op de academie is geïsoleerd.
Het beeld dat ik maak is uit teer en veren. Geheel in het zwart gekleed, een geteerde stinkende jas en grote schoenen dragend, sluit ik de reeks van performances af. Ik draag een speciaal ontworpen hoge hoed die vol zit met zachte ganzenveertjes. De stilte ontstaat door het wachten en de nadrukkelijke concentratie. Zwart. Door en door zwart. Dan het lied dat zich zachtjes met de stilte verweeft; Jacques Brel en de veertjes dwarrelen en maken een wit podium voor het zwarte beeld, tarred and feathered.

Het is de laatste dag van de totale reeks performances. Nu draag ik een witte jurk, als een bruid. Mijn gezicht is helemaal ingesmeerd met gips, mijn handen zijn aan elkaar vastgemaakt, ook met gips en rusten op mijn schoot. We bevinden ons in een grote witte koepelzaal. Mijn ogen zijn dicht. Ik zit in het midden van de ruimte. Ik hoor de mensen binnenkomen, ze gaan zitten en kijken. Ik wacht tot het stil is, maak mijn gezicht en handen vrij, breek de hard geworden gips van de huid, met geluid als van brekend porselein dat als eerste de stilte verbreekt, dan volgt de stem. Deze keer komt het lied van heel ver, pakt een enorm volume en vult alle open ruimtes van de zaal, het voert me naar een onbekende wereld, maakt zich van mij meester, overrompelt mij en gaat waar ik haar niet kan bijhouden. Het is een ontlading met een enorme intensiteit. Eerst dacht ik dat deze performance een einde was, maar het was een begin van een nieuwe tijd, een doorbraak. Ik was niet eerder daar waar ik was in deze performance. De tijdsduur was korter dan ik dacht, hetgeen mij verbaasde. Ik had me verloren gewaand in de tijd en had er langer kunnen blijven. Op dat moment besluit ik de volgende werken op te dragen aan de tijd en me te concentreren op het langer vasthouden van de stilte of het crescendo om het publiek langer mee te nemen op hun reis naar die andere wereld.

Het fotografische deel van mijn werk is een ontastbaarder stuk. Het lijkt alsof het van verder weg komt, alsof de prints uit hun oneindige diepte van het zijn worden omhoog getrokken. Wellicht heeft het er ook mee te maken dat de ervaringen minder fysiek zijn. Ik weet geen enkele fotosessie in het bijzonder en ze toch allemaal te herinneren. Het zijn privé-ensceneringen, die steeds terugkomen als een spel met de camera, in een ruimte, met een kostuum, of zonder kostuum. Ik maak een beeld dat ik eerder zag in een visioen of een droom. Soms gaat er een performance aan vooraf en soms volgt er één op. De afdrukken worden uit kokendhete ontwikkelaar opgehesen, en onmiddellijk wordt daarbij duidelijk of het om een goed beeld gaat. Het gaat niet méér om het gebruik van het licht dan nodig is om de foto te maken: het beeld is als een tekening. Het papier, de foto en het negatief zijn dragers, de techniek zet ik naar mijn hand, het proces is magisch en dat is wat mij fascineert. Ik kan alles zijn. Ik ben een vrouw, naakt smeer ik mij in met klei en maak dan een foto, met de camera op statief en met de zelfontspanner. Nu ben ik een kale man met een teddybeer en een hoed op, ik kijk in de camera, mijn zwarte pak verfrommeld, een witte blouse hangt uit mijn broek. Ik sta op blote voeten. Tegelijkertijd ben ik een Spaanse vrouw, in een witte geborduurde jurk met een rode roos in haar schoot, uitkijkend over een vlakte. Ik werk in een fabriek, mijn hoofd is gezwachteld en mijn knieën zijn stuk. Ik loop met een vaart het beeld uit, mijn grote stijve jas zwiepend om mijn benen. Ik smeer mijn hoofd in met klei en schreeuw, het geluid verdwijnt in het papier op groot formaat.

Maandenlang had ik films gemaakt voor een performance in het midden van het land, en had het idee teveel in het hoofd aan het werk te zijn geweest, ik had behoefte aan fysieke arbeid. Op dat moment kreeg ik een telefoontje of ik een week later voor twee maanden in Schotland mee wilde doen aan een symposium over steen. Ik had nog nooit in steen gewerkt en vond hierin een manier om zowel fysiek bezig te zijn als om te leren of steen iets voor mij was of eigenlijk toch niet. Ik zou daarna niet meer in steen werken maar ontmoette op de tweede dag een blinde beeldhouwer, waarmee ik de komende twee maanden intensief zou samenwerken. Hij nam mij mee in de blinde wereld van niet zien en toch je nauwkeurig gewaarworden van atmosferen, geuren en ruimtes. Hij toonde mij dat de wereld een heel andere kan zijn dan die ik zag.

De takelwagen staat voor het gebouw en laat langzaam het grote bronzen beeld op haar fundering zakken. Drie roestvrijstalen schroefdraadpennen passen in de vooraf vastgemaakte moeren in het beeld. Het beeld heet Muze en ik heb het gemaakt voor het entreegebied van een tehuis voor blinden en slechtzienden. Het is ongeveer twee meter hoog en stelt een voorover buigende reuzin voor, een koningin die een welkomstgebaar maakt, haar arm vouwend in de plooien van haar mantel. In haar hoofd bevindt zich een windorgeltje dat geluid maakt als de wind blaast. De kant van het beeld die zichtbaar is vanaf de weg, stelt een beeld voor van een vrouw, terwijl aan de andere kant haar mantel gelijk een oude boom geboetseerd werd. Het beeld lijkt in haar totaliteit de vijfde boom te zijn in de reeks die er al staat, haar kleuren zijn hetzelfde en haar aanwezigheid is als een natuurlijke verschijning. Tijdens de onthulling gebeurt er eerst helemaal niets waarna de mensen van het tehuis in één keer allemaal dichterbij komen en tientallen handen het beeld betasten, het onderwijl betekenis gevend.

Hij deed een studie over beeld en kleur, in keramiek met glazuren. Ik probeerde het blauw dat we hadden gevonden te omschrijven, het blauw van de hemel, van ogen, donker blauw. Nee, het was niet wat hij zocht, hij zocht een hard, geen kobalt blauw, een Middellandse zee blauw, geen gepassioneerd rood of een bloed rood, nee een hel, fel vlak intens rood. Ik zocht woorden die in de buurt komen van kleuren om ze zo genuanceerd mogelijk te beschrijven. Beelden worden niet gemaakt met de ogen maar met de geest. De blinde man leerde me kleuren zien.

Een ander moment. Mijn liefde overleed. Hij viel van de trap en stierf onmiddellijk. De volgende ochtend om zeven uur belde ik zijn atelier, er werd niet opgenomen. Ik hoorde het niet veel later terwijl ik in de auto, waarin ik naar hem toereed, gebroken been, gebroken been, gebroken been, tegen mezelf had gezegd. In de kerk in Italië bij zijn begrafenis zong ik omdat hij niet mocht heengaan met alleen tranen. Hij zou mooi weggaan, gracieus, dat paste bij hem. Ik zong een lied, over de Vergin d'amor, maagd van de liefde, ik voelde alle verdriet van iedereen in die kerk en keek recht in de oneindigheid. Dit was niet ik, dit was een wereld die als een film op mijn leven geplakt lag. Ik liep met zijn moeder, haar ondersteunend in mijn armen naar de begraafplaats vooraan in een kilometerlange stoet, in het typisch Italiaanse bergdorpje.

Op de begraafplaats de volgende dag verschijnt een oudere vrouw, die vreemd genoeg Nederlands tegen mij spreekt en me zegt dat het zo bijzonder is dat ik met een blinde man was geweest. Alsof ze een engel was. Vijf Franciscaner monniken met drie knopen in het touw om hun heupen vormen een bijna middeleeuwse entourage van de totale gebeurtenis. Alles wat leeft krijgt een andere betekenis, over het gras lopend ontwijk ik de madeliefjes, die mogen niet vertrapt.

Het leven is als een labyrint, het toont je niet hoe je met je gevoelens moet of kan omgaan, ik voel me gehandicapt, kreupel, geheel en al bloedend en geen weg om te gaan, geen mens om mee te praten, geen uitweg. Pijn, eindeloos veel pijn, wat gebeurt er, niks zal ooit nog hetzelfde zijn. Ik loop geblinddoekt tegen elke muur op, zet het op een werken totdat dat ook niet meer kan, God geef me een teken.

De eerste troost vind ik in het werk, tekenen op papier, boetseren aan een groot beeld waar ik mee bezig was toen hij nog leefde. Alsof een fluisterend gesprek plaatsheeft tussen mijn geliefde en mij. De dingen die hij zei herhalen zich in dagelijkse situaties, een traag afscheid. Het besef van eindigheid en het voorbijgaan van de dingen.

Opstaan. Het bos in. Schreeuwen tegen de bomen, huilen en dansende skeletten in draaimolens voor mij ziend. Rouw.

Afscheid. Iemand is duizend miljoen lichtjaren weg, is niet meer, is hier niet meer, ik moet afscheid nemen, en hem een goeie reis wensen, gate, gate, param, gate.*

Een zwarte bol in mijn kop knalt uit elkaar.

E E N N I E U W E T I J D

Tijd voor reflectie, bespiegeling, bezinning. In een paradijselijke omgeving, met onbespoten tomaten uit de tuin, zilvervliesrijst en ouderwetse geuren die ik in Nederland lang niet meer ruik. Vlinders een vuist groot, met geel, blauw, zwart en bruin. Het landschap hier is spectaculair en verandert snel, wil ik de ene dag de velden met klaprozen fotograferen zijn ze de volgende dag al weer weg om plaats gemaakt te hebben voor blonde korenvelden. Bergwandelingen die de ene week mogelijk zijn worden een maand later afgesneden en verhinderd door overwoekerende bramen en omgevallen bomen. De natuur is hier sterk, groeit enorm, woekert en verandert het gezicht vrijwel elke dag.Vanuit mijn huis is er uitzicht op een middeleeuwse nederzetting, Madremanya, grootse moeder. Het is een rijke en lavende omgeving. De aarde zift tussen mijn vingers als ik prei of uien zet in de tuin.

Een Cubaans meisje uit de buurt, geeft me een trompeta de la muerta.
Een prachtig gevormde paddestoel. Voor het eerst, na maanden maak ik een nieuw beeld, keramisch, in klei, een grijze trompeta, met vlezige rode binnenkant.

Ik vind een doos met zwarte tweedehands kleren. Een performance in Groenland krijgt langzaam vorm. Ik maak een kostuum, een dikke jas voor de kou, samengesteld uit allerlei oude kleren, die zo een nieuwe bestemming krijgen. Denkend aan de Afrikaanse fetishbeelden, die vaak met lappen omwikkeld allerlei ijzers meedragen, om een geweldige kracht uit te stralen, stapelen meerdere betekenissen zich op en verdubbelen zich in het kostuum: gebeurtenissen die gerimpeld zijn in de huid. Als laatste decoreer ik de jas met mooie gekochte kralen en decoratieve elementen, mijn haar zal ik inpakken met resten, lange afgeknipte, aan elkaar geknoopte linten die ik om mijn hoofd zal wikkelen. Het gezicht zal ik insmeren met houtskool, zoals de Inuït dat doen.
Weer op reis, naar Groenland, mei 2003. Ik luister naar Alina van Arvo Pärt en weet van geen mooiere muziek, zo eenvoudig en stil. De Inuït uit Groenland sluiten de ogen als ze zingen, omdat ze dan naar binnen kunnen kijken. Ik luister en realiseer me opnieuw dat de stiltes net zo belangrijk zijn als het maken van geluid. Tijdens de performance worden alle geluiden belangrijk, de concentratie groeit, een kuchend kind, een rinkelende telefoon, luister. Later als we noordelijker zijn, ontstaat zo een gesprek waarin ik geluiden zacht imiteer die uit het publiek komen. Speels, maar geconcentreerd, ontstaat het werk. Iemand in het stadje vraagt later of de mompelende verschijning gaat sterven. Geen applaus, het blijft stil. Mooi, zo op te lossen in het duister.

Applaus. Applaus doorbreekt de stilte. Het is een traditie uit het oude Griekse theater, waar met opzet een andere, theatrale wereld gecreëerd werd om die te stoppen als de voorstelling voorbij was. Om te breken met die andere wereld werd er geklapt, en daarmee was de scheiding tussen het dagelijkse leven en het theater duidelijk. Mooier is het als bij een performance de beelden meegenomen worden, terugkomen en opduiken in dromen, zoals dat ook met beeldhouwwerken en tekeningen, met foto's wel gebeurt. Als een applaus niet die draad doorsnijdt, maar het beeld verder meegaat in de golven van het bewustzijn.

De zon is er opnieuw, ik ben terug in Spanje. De fiets met witte rozen versiert het beeld van alledag bij de tocht door het landschap. Sinaasappels, amandelen, zonnebloemen en vijgen groeien in de tuinen. De maaltijd met wijn is open voor iedereen om aan te schuiven.
Ik loop in een woud, waar aan het einde van een pad een ruïne ligt die ik daarna nooit meer terug kan vinden. Waar kurkeiken met zwarte bast een entourage maken die ik alleen vaag ken van schilderijen, en die me hier steeds de adem doet stokken. Waar in de avond een vos en everzwijnen als geestesverschijningen opdoemen. ‘s Nachts droom ik over een huis waarin ik elke keer andere kamers ontdek. Een huis dat steeds groter wordt, elke kamer herbergt een deur die weer naar een nieuwe kamer leidt.

Een warme omhelzing, geborgenheid. Een boom die als zaad begint en groeit en waarvan de knoppen bloesem dragen, uitkomen en vol kleur zijn.
De ogen opnieuw geopend en helder een blauwe lucht aankijkend. Een nieuwe ruimte voor verhalen ontvouwt zich, als weer een andere realiteit die synchroon loopt met mijn leven.


Anet van de Elzen, September 2003, Madremanya

 

 

*Gate, Gate, Param gate, Parasamgate, Bodhi Svaha
Is afkomstig uit een heilige tekst van de boeddhistische Mahayana-school. De tekst is een van de belangrijkste, genaamd de Prajna Paramita (Voortreffelijke Wijsheid). Het gebed is een mantra die moet worden opgezegd en die degene die hem opzegt zal helpen de grenzen van de dualiteit te overschrijden. Hij wordt vooral ook gebruikt door volgelingen van de Chan- en Zen-school als er iemand sterft, om energie te geven aan de overledene op zijn of haar reis, maar ook aan de achterblijver in het leven om los te kunnen laten.

----------------------------------------------------------

Op dit moment bevind ik me op een berg, ik heb het idee dat ik rondom mij kan uitkijken over de wereld en kan kiezen waar ik wil zijn. Paden en wegen gaan links en rechts, achter en voor, naar beneden. Die kan ik bewandelen of ik kan blijven zitten. Ik kan kiezen waar ik wil zijn en er heen gaan.
Dit is een verworven vrijheid.