De eersten die je liefhebt - Irene Veenstra

De eersten die je liefhebt.

 Het is een oud verhaal dat niet vaak verteld werd. Misschien heeft dit te maken met het feit, dat de geschreven geschiedenis dominant is en, gebonden aan de dwingende doelstelling de verschillende levensgeschiedenissen tot één verhaal te smeden, een beperkte polemiek voert over wat waar is en wat niet waar is, waarbij de nadruk voortdurend ligt op de logica van wat zich in de wereld afspeelt. En dit verhaal dat (ondanks deze dominantie) door enkelen meegedragen werd, heeft niets te maken met de logica van het geschreven document. NIETS. En toch is het niet gebaseerd op irrationele of mysterieuze gebeurtenissen of op raadsels die het menselijk verstand te boven gaan. Het heeft eenvoudig niets te maken met het wijsgerig verlangen naar begrip van het sociale leven, dat ons in staat moet stellen elkaars handelingen en gedachten te beheersen, nu en in de toekomst. Het verhaal is dus een haast vergeten geschiedenis, waarvan de gebeurtenissen vervaagd zijn tot merkwaardig onherkenbare voorstellingen van wat zich eens tussen mensen heeft afgespeeld. Het wordt gevormd door het verlangen de zon te zien opkomen, door fantasieën over een ander leven, door de hoop op geluk en de problematiek een levensovertuiging te vinden, door vluchtige gedachten over de relaties tussen iemand, die ergens leeft en de wereld en door voorstellingen van wat er mogelijk is, hier en nu. Allemaal heel gewone zaken die de zo vreemde aaneenschakeling van gebeurtenissen begeleiden, die realiteit heet. Maar dit verhaal is niet de realiteit, maar wel zeer realistisch. De persoon, waar het om gaat, dient om gestalte te geven aan de realiteit die iedereen als waarheid voorgeschoteld krijgt en gemakshalve ook maar als waarheid accepteert: de gestalte die hier ten tonele wordt gevoerd, zegt niets over waar het in wezen om gaat. En dit feit is nu precies de reden, dat de realiteit zoals deze in dit verhaal tevoorschijn komt, raadselachtig blijft.

 

Het is het verhaal van een vrouw, zoals iedereen zich haar kan voorstellen. Daarom is het niet nodig dat zij hier beschreven wordt zoals zij aan anderen verschijnt: zij is iemand en iedereen kan deze vrouw zijn. Het verhaal begint, zoals zoveel verhalen beginnen met een beschrijving van een huis, een kamer, een tafel, een stoel...en zij is daar, temidden van zoveel dat van belang is en toch vergeten wordt. Op afstand, zij staat op afstand in de wereld, zij heeft zich op een volstrekt onnavolgbare wijze in een verte gesitueerd, waar details en bijzonderheden opgenomen zijn in de donkere contouren van het bestaan. En in die verre aanwezigheid is het alsof haar bestaan niet afhankelijk is van tijd; haar leven wordt niet beïnvloed door de wisselende omstandigheden van het moment, want zij is de omgeving, de achtergrond en de voorgrond tegelijk. Zij is verdiept in zichzelf om als vanzelfsprekend niet het antwoord te moeten vinden op de talloze nuttige vragen van buitenaf, maar luisterend, is zij zich volledig bewust van wat er om haar heen aan de hand is: luisterend kent zij het effect van de woorden. Geluid beroert de ziel, dat weet zij maar al te goed. De torenklokken slaan twaalf uur en de harde ijzeren bal rolt met een oorverscheurend geluid over de stenen vloer. De mensen die het horen, staan even stil.

 

De vrouw beschut zich tegen de blikken van de anderen en heeft besloten een weg te gaan, die zij volgt als in een visioen, begeleid door de geluiden van stemmen, schuifelende voeten, het geruis van kleding en het zachte getik van kopjes die met uiterste precisie nauwkeurig op de kleine cirkel in het midden van het schoteltje worden gezet. Geluiden die haar vertellen wat de wereld ontbeert en wat haar vervult. Zij kent de woestijn en het naakte ronddolen, maar is geen heilige en wil dit ook niet zijn. NIET het symbool van de werkelijkheid is van belang... ook niet de essentie, waar de filosofen zo graag over spreken. Maar wat is er dan van belang? Toch een vraag. Er is niets dat er niet toe doet. Zij begint nu zachtjes te zingen. De doek die zij om haar hoofd gewikkeld had, maakt zij nu voorzichtig los. Zij staart voor zich uit alsof er iets te zien is aan de horizon en zoekt in de hoge luchten van het Nederlandse landschap naar tekenen die haar vermoedens over het grotere bestaan bevestigen kunnen. De zee- en riviergezichten zijn haar liever, vanwege de beweging en reflektie van het water. De schittering. Haar ogen vullen zich en de kreet die dan uit haar losbreekt vervult de ruimte: er verandert niets aan de bewegingloze stilte die de voorgangers achterlieten. Zij huivert en gaat voort  en werpt, zonder iets te zeggen kleine balletjes over de vloer die tegelijk maar met ongelijke snelheid in alle richtingen rollen. Na verloop van tijd liggen de balletjes allemaal weer stil, verspreid in de ruimte.

 

De journalist vroeg haar wat zij nu eigenlijk wilde (hij kon geen betere vraag bedenken, want hij vermoedde dat dit leven hem vreemd was) en zij beantwoordde in één adem als door een stem buiten haar gestuurd, het volgende:

 

Als een individu in opstand komt tegen een systeem (en we gaan er van uit, dat niet iedereen hiertoe gedwongen is...) dan is het noodzakelijk de positie van de buitenstaander te creëren van waaruit de weg geopend wordt naar de mogelijkheden van een persoonlijke, expressieve taal die door conventies onderdrukt wordt. Terug naar de oorsprong door middel van een technische ingreep, teneinde de niet aan regels gebonden, agressieve en visionaire eigenschappen te vinden die de kunst (oorspronkelijk) kent. Ik ben een kunstenaar (dit is door de samenloop der dingen zo tot stand gekomen), ik ben een vrouw, die een verhaal vertelt en datgene wat mij getroffen heeft, beeld ik uit, maar ik kan geen gebruik maken van de taal om betekenissen te differentiëren. Ik zit vast aan de beelden die mij in de ogen van anderen doen ontstaan en daarom kan ik onmogelijk een beroep doen op de taal. Ik wil er in slagen de verbanden tussen de geïsoleerde beelden van de 20ste eeuwse kunst te reconstrueren en daarvoor ontwikkelde ik een technisch, stilistisch procédé om mij te kunnen verplaatsen in de ander en mij zodoende de wereld te kunnen voorstellen zoals deze mogelijk aan mensen verschijnt. Van de techniek naar de mythe...

 

Toen zweeg zij lange tijd. De journalist zweeg ook.

Zij sprak toen met een heldere stem over een donker volk, dat in de harten van gepassioneerde mensen leeft; over dromen die zij had, waarin alles werkelijk is en voorbijgegaan wordt aan het verlangen het onderscheid tussen wat is en wat niet is te beschrijven; over de storm die over het land raast en tot muziek wordt als de morgen weer aanbreekt; over de witte voeten in het zand. Leven in de woeste, gaand als in een visioen... Dit alles werd gezegd met overtuiging. De journalist zweeg, niet in staat de mythe waarover zij sprak te vatten in de voor hem bekende definities en kritische bezweringen, die zijn ongenoegen over de wereld gestalte gaven en waarin voor hem een werkelijkheid naar voren kwam die het uitsloot een keuze tussen goed en kwaad uit de weg te gaan. Maar waarom had hij zich door de droom laten afschrikken? Was hij er bang voor soms? Als de vrouw, die kunstenaar geworden is door de samenloop der dingen, het zich kon permitteren om te dromen, waarom kon de man, die waarschijnlijk ook door de samenloop der dingen, journalist geworden is, het zich dan niet permitteren? Was hij dan niet gevoelig voor de ritmen en cadansen in het gedrag van de mens om het eigenlijke mechanisme van de menselijke geest (terug) te vinden? Waarom brak hij toch telkens zijn betoog af? Beiden waren zij zich bewust van hun positie: zij de buitenstaander, gericht op vrijheid en bevrijding, hij de infiltrant en activist, gericht op rechtvaardiging.

Toen zij elkaar niets meer te zeggen hadden, gingen zij heen.

 

Zij besluit nog niet naar huis te gaan, overtuigd van het feit, dat de irrationele, droomachtige en barbaarse elementen van de kunst niet tot het rationele bewustzijn doorgedrongen zijn en in de beeldende cultuur geëxploiteerd worden als onbewuste factoren om te schokken en te verleiden.

 

EEN NIEUWE DAG BREEKT AAN

 

Haar hand rust nu zacht op het warme zand van de woestijn, dat de koude, niet door de zon beschenen donkere aardlagen, afdekt. Over het zand waait lichtjes de wind en zij blaast de korrels op, met de wind mee beroering brengend waar het doorgaans doodstil is. Zij ziet dat de aanrakingen van haar hand sporen in het zand achterlaten die in het voorbijgaan van tijd weer zeer snel verdwijnen. De vrouw glimlacht en kijkt naar haar handen, die zij bewegingloos voor zich ophoudt. Er is rust om haar heen. En dan wordt ook de ruimte om haar heen donker, zoals dit zo vaak gebeurt en haar handen verschijnen nu aan haar als witte nachtdieren, die op de tast, maar toch sierlijk, hun weg gaan, onwetend over wat hen in beweging bracht en nog te wachten staat. Zij bewegen zich in een stilte (het geluid lijkt weggevallen te zijn) en kiezen uiterst traag een andere positie als herinnerden zij zich maar ternauwernood hun bestaan. Voortdurend vergetend, ten achter op zichzelf, losgeraakt van het verleden dat hen een bestemming gaf om in het komende het moment te vinden dat hen opnieuw in beweging zal brengen.

 

Zij vroeg zich het volgende af:

Moet de kunst zich nu tevreden stellen met ongearticuleerde uitdrukkingsvormen, die altijd concreet en effectvol zijn en dus nooit op een abstract en filosofisch niveau een symbolische waarde vertegenwoordigen kunnen? Of is er toch een systeem van betekenisvolle beelden voorhanden, waaraan bestaansmogelijkheden toegeschreven kunnen worden, die het leven beïnvloeden? Een ding is voor haar nu duidelijk, de beelden die in de kunst opgenomen worden, komen voort uit de alledaagse en (dus) onbewuste observatie van de omgeving, die niet objectief kan zijn en vermengd is met herinneringen en dromen. Beelden hebben bijgevolg een zo korte tijdsduur dat zij een historische achtergrond ontberen moeten en voortdurend onderhevig zijn aan betekenisverandering. Zij concludeert nu dat de kunst over kwaliteiten beschikt, die fundamenteel tot de droomwereld behoren, omdat beelden archetypisch zijn en geen historische realiteit kennen (er is immers geen systeem van beelden, dat als een archief ter beschikking staat): vanuit het elementaire, nog aan verandering onderhevige, karakter van het beeld wordt het kijken gericht op de chaotische en stomme wereld der dingen, waardoor er mogelijkheden ontstaan voor de ontwikkeling van een denkbeeldige communicatie tussen de mens en de wereld, die aan haar verschijnt.

Zij besluit nu naar huis terug te gaan, gerustgesteld door dat wat zij voor zichzelf weet. Zij kijkt nog een keer naar de vlakte en dan vertrekt zij.

 

De vrouw koopt allereerst een paar stevige schoenen en loopt over de geasfalteerde weg naar huis. Zij voelt dat de mensen naar haar kijken en houdt de ogen gericht op de horizon. Zij gaat als in een visioen... zij weet dit en zij weet ook dat zij de ogen gericht moet houden op deze onveranderlijke lijn in de verte. Zij komt in haar kamer, die eruit ziet alsof zij deze even, een kwartier geleden verlaten heeft en weet zich weer terug in het eigen vertrek. Zij werkt vanaf dit moment onafgebroken aan de ijzeren constructie, niets meer wetend van tijd, of er nu een seconde of een jaar verstreken is. Zij werkt door de dag en de nacht heen. De constructie reikt vanaf de vloer tot aan het hoge dakraam ver boven haar uit. De buizen wijzen in alle richtingen en vormen een soort geometrische geest, die uiterst rationeel en ook bijna spiritueel is. Ruimtelijke en temporaire relaties worden zichtbaar tussen de vrouw, die als gevangen temidden van de ijzeren structuur staat en de grond, de wanden, het dak, de lucht die zichtbaar is door het raam heen, de objecten in de kamer, het gras waarvan de geur via de openstaande deur binnendringt, de vlakte, de horizon. Het gezicht en het lichaam van de vrouw vormen in deze (gevulde) leegte een gesloten volume, een ritmische, beweeglijke ruimte die tot leven komt telkens als het een andere concrete vorm aanneemt, met op de achtergrond de onveranderlijke elementen: de horizon, de vlakte en de lucht. De reële tijdsduur mengt zich met een immense tijdsduur. Een moment, een leven, een eeuw, een millennium. De relaties die tussen de verschillende ruimten gelegd kunnen worden, blijven onvoltooid en onopgelost. Dit is verontrustend. Ooit zal het huis worden afgebroken om de constructie te verplaatsen naar het grote plein van de stad, waar de mensen dan als door een onzichtbare kracht getrokken, naar toe gaan, niet wetend of zij naar een monster of naar een wonderbaarlijk visioen opkijken.

 

....................

 

 

Een vrouw kijkt opzij en als toeschouwer identificeer ik mij met deze vrouw. Terwijl ik haar aankijk, stel ik mij de vraag, wat voert zij uit, wat of wie zoekt zij naast zich? Ik vergeet uiteraard niet dat ik hier geconfronteerd wordt met een fictieve realiteit, die niet bestaat. Ik verbeeld mij een vrouw die in een mogelijke werkelijkheid opzij kijkt. In het verhaal dat ik daarbij verzonnen heb, doorloop ik een reeks code- en tekensystemen, die het mogelijk maken de verbeelde realiteit in analogie met mijn ervaringswereld te plaatsen. Zo wordt de geschiedenis ontdekt, de illusie, waarzonder ik het niet meer stellen kan, daar ik de illusie nodig heb voor mijn persoonlijke formulering van een beschouwing over de wereld, waaraan ik het begrip realiteit hecht.

 

De vrouw kijkt opzij, niet naar de vlakte, maar naar iets of iemand naast zich. Een denkbeeldige figuur, die buiten beeld blijft, want zij heeft een voorliefde voor alles wat tot nu toe buiten beeld gebleven is.

 

Irene Veenstra

Februari 1996

Eindhoven